De Heilige Schrift, het Oude en het Nieuwe Testament, is het geschreven Woord
van God, door goddelijke inspiratie overgeleverd aan heilige mensen Gods",
die in hun spreken en schrijven gedreven werden door de Heilige Geest. In dit
Woord heeft God de mens de nodige kennis tot heil aangereikt. De Heilige Schrift
is de onfeilbare openbaring van zijn wil. Deze is de norm voor gedrag en geloofsbeleving,
de gezaghebbende openbaringsbron van de geloofsleer en het betrouwbare verslag
van Gods daden in de geschiedenis.
(Ps. 119:105; Spr. 30:5,6; Jes. 8:20; Joh. 10:35; 17:17;
1 Tess. 2:13; 2 Tim. 3:16; Heb. 4:12; 2
Petr. 1:20,21).
Er is één God, Vader, Zoon en Heilige Geest, en deze drie zijn
één. God is eeuwig, almachtig, alwetend, boven alles en altijd
tegenwoordig. Hij is onbegrensd en door de mens niet te doorgronden, maar kan
desondanks gekend worden vanuit zijn zelfopenbaring. Hij is te allen tijde onze
aanbidding en verering waardig en moet door de gehele schepping gediend worden.
(Deut. 6:4; 29:29; Mat. 28:19; 2 Kor. 13:14; Ef. 4:4-6;
1 Tim. 1:17; 1 Petr. 1:2; Op. 14:6,7).
God de eeuwige Vader is de Schepper, de Bron, de Onderhouder en de Heerser
over al het geschapene. Hij is rechtvaardig en heilig, genadig en barmhartig,
traag tot toorn en rijk aan niet aflatende liefde en trouw. Wat wij aan hoedanigheden
en krachten in de Zoon en in de Heilige Geest ontdekken, zijn eveneens openbaringen
van de Vader.
(Gen. 1:1; Ex. 34:6,7; Joh. 3:16; 14:9; 1 Kor. 15:28; 1
Tim. 1:17; 1 Joh. 4:8; Op. 4:11).
Door Hem werd alles geschapen, werd het karakter van God geopenbaard, de redding
van de mensheid tot stand gebracht en wordt de wereld geoordeeld. Voor eeuwig
waarlijk God, werd Hij ook waarlijk mens: Jezus, de Christus. Hij werd ontvangen
uit de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Hij leefde als mens en werd
verzocht, maar openbaarde op volmaakte wijze de rechtvaardigheid en liefde van
God.
In zijn wonderen werd Gods macht zichtbaar. Zij getuigden van zijn goddelijke
roeping als Messias.
Hij leed en stierf vrijwillig aan het kruis voor onze zonden, werd opgewekt
uit de doden en voer ten hemel om in het hemels heiligdom voor ons de dienst
te verrichten.
Hij zal terugkeren in heerlijkheid voor de uiteindelijke verlossing van zijn
volk en het herstel van alle dingen.
(Luc. 1:35; Joh. 1:1-3,14; 5:22; 10:30; 14:1-3,9; Heb. 2:9-18;
4:15; 7:25; 8:1,2; 9:28; Rom. 5:18;
6:23; 1 Kor. 15:3,4; 2 Kor. 5:17-21; Fil. 2:5-11; Kol. 1:15-19; 1 Petr. 2:21;
Op. 22:20).
God de eeuwige Geest was met de Vader en de Zoon werkzaam in de schepping,
vleeswording en verlossing. Hij inspireerde de schrijvers van de Bijbel. Hij
vulde Christus' leven met macht. Hij nodigt en overtuigt de mens, en wie gehoor
geeft, vernieuwt en verandert Hij naar het beeld Gods. Gezonden door de Vader
en de Zoon, om altijd bij zijn kinderen te zijn, deelt Hij geestelijke gaven
uit aan de gemeente, geeft Hij haar kracht om van Christus te getuigen en leidt
haar, in overeenstemming met de Schrift, in alle waarheid.
(Gen. 1:1,2; Luc. 1:35; 4:18; Joh. 14:16-18,26; 16:7-13;
Hand. 1:8; 10:38; 2 Kor. 3:18; Ef. 4:11,12;
2 Petr. 1:21).
God is de Schepper van alle dingen en heeft in de Schrift het waarachtige verslag
van zijn werken geopenbaard. In zes dagen heeft de Heer de hemel en de
aarde" en alle levende wezens op aarde gemaakt, en op de zevende dag van
de eerste week heeft Hij gerust. Op deze wijze heeft Hij de sabbat ingesteld
als een blijvend gedenkteken van zijn voltooid scheppingswerk. De eerste man
en vrouw werden gemaakt naar het beeld Gods als bekroning van de schepping.
Hun werd heerschappij gegeven over de aarde, en verantwoordelijkheid haar te
onderhouden. Toen de wereld voltooid was, was alles zeer goed", en
verkondigde deze Gods eer.
(Gen. 1; 2; Ex. 20:8-11; Ps. 19:1-6; 33:6,9; 104; Joh. 1:1-3;
Kol. 1:16,17; Heb. 11:3).
Man en vrouw werden naar het beeld Gods geschapen met persoonlijkheid, macht
en vrijheid om te denken en te doen.
Elk mens is een ondeelbare eenheid van lichaam, ziel en geest. Ofschoon als
vrij wezen geschapen, blijft hij van God afhankelijk voor zijn leven en al het
overige. Toen onze stamouders God ongehoorzaam werden, ontkenden zij hun afhankelijkheid
van Hem, en verloren hun hoge positie onder God. Het beeld Gods in hen werd
vervormd, en zij raakten aan de dood onderworpen. Hun nakomelingen delen in
deze gevallen natuur en de gevolgen hiervan. Zij worden geboren met zwakheden
en de neiging tot kwaad. Maar God verzoende in Christus de wereld met Zichzelf
en herstelt door zijn Geest in berouwvolle stervelingen het beeld van hun Maker.
Zij zijn geschapen tot eer van God en geroepen om Hem en elkaar lief te hebben
en voor hun omgeving te zorgen.
(Gen. 1:26-28; 2:7; 3; Ps. 8:4-8; 51:5; Hand. 17:24-28;
Rom. 5:12-17; 2 Kor. 5:19,20).
De hele mensheid is nu betrokken in een grote strijd tussen Christus en satan
aangaande het karakter van God, zijn wet en zijn heerschappij over het universum.
Dit conflict begon in de hemel, toen een geschapen wezen, begiftigd met vrijheid
van keuze, tot satan, Gods tegenstander, werd, en een deel van de engelen tot
opstand aanzette. Hij bracht de geest van opstand in deze wereld toen hij Adam
en Eva tot zonde verleidde. Deze zonde van de mens had de vervorming van het
beeld Gods in het mensdom tot gevolg. Dit leidde tot wanorde binnen de geschapen
wereld, en de uiteindelijke vernietiging daarvan ten tijde van de wereldomvattende
zondvloed. Ten aanschouwen van de hele schepping werd deze wereld het strijdperk
van een alomvattend conflict. Daarin zal God uiteindelijk als een God van liefde
in het gelijk worden gesteld. Om zijn volk in deze strijd bij te staan, zendt
Christus de Heilige Geest en getrouwe engelen om hen te leiden, te beschermen,
en te ondersteunen op de weg des heils.
(Gen. 3; 6; 7; 8; Jes. 14:12-14; Ez. 28:12-18; Rom. 1:19-32;
5:12-21; 8:19-22; 1 Kor. 4:9; Heb. 1:4-
14; 2 Petr. 3:6; Op. 12:4-9).
In Christus' leven van volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, zijn lijden,
dood en opstanding, heeft God voorzien in het enige zoenmiddel voor de zonde
van de mens, zodat zij die door het geloof deze verzoening aanvaarden, eeuwig
leven mogen ontvangen, en de hele schepping de oneindige en heilige liefde van
de Schepper mag verstaan. Deze volmaakte verzoening stelt de rechtvaardigheid
van Gods wet en zijn genadevolle karakter op overtuigende wijze vast; want het
veroordeelt onze zonde en verschaft ons tegelijkertijd vergeving. De dood van
Christus is plaatsvervangend en uitdelgend, verzoenend en herscheppend. De opstanding
van Christus verkondigt Gods overwinning op de krachten van het kwade, en verzekert
degenen die de verzoening aanvaarden, van hun uiteindelijke overwinning op zonde
en dood.
Deze opstanding geeft aan, dat Jezus Christus hun Heer is, voor wie alle knie,
in hemel en op aarde, zal buigen.
(Jes. 53; Joh. 3:16; Rom. 1:4; 3:25; 4:25; 8:3,4; 2 Kor.
5:14,15,19-21; Fil. 2:6-11; Kol. 2:15; 1 Joh.
2:2; 4:10).
In oneindige liefde en genade heeft God Christus - die geen zonde gekend heeft
- voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in
Hem. Door de Geest geleid beseffen wij onze tekortkomingen, erkennen wij onze
zondigheid, hebben wij berouw over onze overtredingen en oefenen wij geloof
in Jezus als Christus en Heer, als plaatsvervanger en voorbeeld. Dit geloof,
dat de verlossing ontvangt, komt door de goddelijke macht van het Woord en
is Gods genadegave. Door Christus worden wij gerechtvaardigd, aangenomen als
kinderen van God en bevrijd van de heerschappij van de zonde. Door de Geest
worden wij wedergeboren en geheiligd; de Geest vernieuwt onze geest, schrijft
Gods wetten van liefde in ons hart en geeft ons de kracht een heilig leven te
leiden. Wanneer wij in Hem blijven, krijgen we deel aan de goddelijke natuur
en hebben wij de verzekering van het heil, nu en in het oordeel.
(Ps. 27:1; Jes. 12:2; Jona 2:9; Mat. 18:3; Joh. 3:3-8; 3:16;
Rom. 3:24-26; 4:25; 5:6-10; 6:9-15; 8:1-
4,14,15,26,27; 10:7; 1 Kor. 2:5; 15:3,4; 2 Kor. 5:17-21; Gal. 1:4; 2:19,20;
3:13; 3:26; 4:4-7; Ef. 2:5-
10; 3:16-19; Heb. 8:7-12; 1 Petr. 1:23; 2:21; 1 Joh. 1:9; 2:1).
Door zijn dood aan het kruis triomfeerde Jezus over de machten van het kwaad. Hij, die tijdens zijn dienstwerk op aarde de demonische geesten onderwierp, heeft hun macht gebroken en hun uiteindelijke ondergang verzekerd. Jezus’ victorie geeft ons de overwinning over de boze machten die ons nog steeds in hun ban willen houden, als wij met hem wandelen in vrede en vreugde, verzekerd van zijn liefde. De heilige Geest leeft nu in ons en geeft ons kracht. In onze voortdurende toewijding aan Jezus als onze Zaligmaker en Heer zijn wij bevrijd van de last van onze daden in het verleden.
Wij leven niet langer in duisternis, bevreesd voor boze machten, in onwetendheid en in de zinloosheid van onze vroegere leefwijze. In de nieuwe vrijheid die we in Christus bezitten zijn we geroepen om te groeien in de gelijkvormigheid aan zijn karakter, om dagelijks gemeenschap te hebben met hem in gebed, ons te voeden met zijn woord, te mediteren over dit woord en over zijn voorzienigheid, te zingen tot zijn eer, samen te komen om hem te eren, en deel te hebben aan de zendingsopdracht van de kerk. Wanneer wij onszelf in liefdevolle dienstbaarheid geven aan de mensen om ons heen en getuigen van zijn redding, zal zijn onafgebroken aanwezigheid met ons, door de Geest, elk moment transformeren en elke taak tot een geestelijke ervaring maken.
(Ps 1:1, 2; 23:4; 77:11, 12; Kol 1:13, 14; 2:6, 14, 15; Luc. 10:17-20; Ef 5:19, 20; 6:12-18; 1 Tes. 5:23; 2 Petr. 2:9; 3:18; 2 Kor. 3:17, 18; Fil 3:7-14; 1 Tes. 5:16-18; Mat. 20:25-28; Joh. 20:21; Gal. 5:22-25; Rom. 8:38, 39; 1 Joh. 4:4; Hebr. 10:25.)
De kerk is de gemeenschap der gelovigen die Christus Jezus als Heer en Heiland
belijdt. In aansluiting op het volk van God in oudtestamentische tijden, worden
wij uit de wereld geroepen en komen wij samen om te aanbidden, om de verbondenheid
met elkaar te beleven, onderricht te worden in het Woord, om de maaltijd des
Heren te vieren, de gehele mensheid te dienen en het evangelie aan de hele wereld
te verkondigen. De kerk ontleent haar gezag aan Christus, het vleesgeworden
Woord, en aan de Heilige Schrift, die het geschreven Woord is. De kerk is Gods
gezin; de leden ervan (die door Hem als zijn kinderen zijn aangenomen), leven
onder het nieuwe verbond. De kerk is het lichaam van Christus, een geloofsgemeenschap
waarvan Christus Zelf het hoofd is. De kerk is de bruid voor wie Christus stierf
om haar te heiligen en te reinigen. Bij zijn terugkeer in heerlijkheid zal Hij
haar voor Zich plaatsen als een stralende kerk: de getrouwen uit alle eeuwen,
gekocht door zijn bloed, zonder vlek of rimpel, maar heilig en onbesmet.
(Gen. 12:3; Mat. 16:13-20; 21:43; Joh. 20:21,22; Hand. 1:8;
7:38; Rom. 8:15-17; 1 Kor. 12:13-27;
Ef. 1:15,23; 2:12; 3:8-11,15; 4:11-15).
De algemene kerk bestaat uit allen die waarachtig in Christus geloven. In het
laatste der dagen, een tijd van algemene afval, is een rest ertoe geroepen om
de geboden Gods en het geloof van Jezus te houden. Deze rest kondigt aan, dat
het uur van het oordeel is gekomen, predikt het heil in Christus, en verkondigt
zijn naderende wederkomst. Deze afkondiging wordt verbeeld door de drie engelen
van Openbaring 14; zij valt samen met het oordeelswerk in de hemel en leidt
tot een werk van berouw en vernieuwing op aarde. Iedere gelovige wordt geroepen
om persoonlijk deel te nemen aan dit wereldwijde getuigenis.
(Mat. 24:14; 28:18-20; Mar. 16:15; 2 Kor. 5:10; Ef. 5:22-27; Op. 12:17; 14:6-12;
18:4; 21:1-14).
De kerk is één lichaam met vele leden, geroepen uit alle natie,
geslacht, tong en volk. In Christus worden we een nieuwe schepping; onderscheid
in ras, cultuur, ontwikkeling en nationaliteit, en verschillen tussen hoog en
laag, rijk en arm, mannelijk en vrouwelijk, mogen geen verdeeldheid onder ons
teweegbrengen. Wij zijn allen gelijk in Christus, die ons door één
Geest in één gemeenschap met Hem en met elkaar verbonden heeft;
wij moeten dienen en ons laten dienen zonder partijdigheid of terughoudendheid.
Door de openbaring van Jezus Christus in de Schrift delen wij in hetzelfde geloof
en dezelfde hoop, en doen al het mogelijke dat in een gemeenschappelijk getuigenis
aan allen uit te dragen. Deze eenheid heeft haar bron in de eenheid van de drieënige
God, die ons aangenomen heeft als zijn kinderen.
(Ps. 133:1; Joh. 17:20-23; Hand. 17:26,27; 1 Kor. 12:12-14;
2 Kor. 5:16,17; Gal. 3:27-29; Ef. 4:1-6;
Kol. 3:10-15; Jak. 2:2-9; 1 Joh. 5:1).
In de doop belijden wij ons geloof in de dood en opstanding van Jezus Christus
en betuigen onze dood voor de zonde en ons voornemen in nieuwheid des levens
te wandelen. Zo erkennen wij Christus als Heer en Heiland, worden zijn volk
en worden wij door zijn kerk als leden aanvaard. De doop is een zinnebeeld van
onze verbondenheid met Christus, de vergeving van onze zonden en ons ontvangen
van de Heilige Geest. De doop vindt plaats door onderdompeling in water en op
de belijdenis van het geloof in Jezus en blijk van berouw. Hij volgt op onderricht
vanuit de Heilige Schrift en aanvaarding van de bijbelse leer.
(Mat. 3:13-16; 28:19,20; Hand. 2:38; 16:30-33; 22:16; Rom.
6:1-6; 1 Kor. 12:13; Gal. 3:27; Kol.
2:12,13; 1 Petr. 3:21).
De maaltijd des Heren is het deelnemen aan de tekenen van het lichaam en bloed
van Jezus als uitdrukking van het geloof in Hem, onze Heer en Heiland. In deze
ervaring van gemeenschap is Christus aanwezig om zijn volk te ontmoeten en kracht
te
geven. Wanneer wij eraan deelnemen, verkondigen wij, vol vreugde, de dood van
de Heer tot Hij komt. Aan de maaltijd gaan vooraf: voorbereiding, berouw en
belijdenis. De Meester stelde de dienst van de voetwassing in als teken van
een hernieuwde reiniging, om uitdrukking te geven aan de bereidheid elkaar,
naar het voorbeeld van Jezus, in nederigheid te dienen en om onze harten in
liefde te verbinden. De maaltijd des Heren is toegankelijk voor alle gelovige
christenen.
(Mat. 26:17-30; Joh. 6:48-63; 13:1-17; 1 Kor. 11:23-30;
10:16,17; Op. 3:20).
God schenkt aan alle leden van zijn kerk-van-alle-eeuwen geestelijke gaven
die elk lid dient te gebruiken in een liefdevolle dienst voor het algemeen welzijn
van de kerk en de mensheid. De gaven worden gegeven door middel van de Heilige
Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt gelijk Hij wil. De gaven verschaffen
alle bekwaamheden en ambten die de kerk nodig heeft om haar van God gegeven
taak te vervullen. Volgens de Heilige Schrift omvatten deze gaven o.a. bedieningen
van geloof, profetie, genezing, verkondiging, onderwijs, bestuur, verzoening,
medegevoel, en zelfopofferend dienstbetoon en liefde om mensen te helpen en
te bemoedigen. Sommige leden worden door God geroepen en door de Geest begiftigd
voor ambten zoals herder, evangelist, apostel of leraar en worden als zodanig
door de kerk erkend. Zij zijn nodig om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon,
tot opbouw van de kerk tot geestelijke rijpheid en om de eenheid van het geloof
en de kennis van God te bevorderen. Wanneer leden als trouwe rentmeesters deze
geestelijke gaven van Gods veel-kleurige genade gebruiken, wordt de kerk beschermd
tegen de vernietigende invloed van valse leer. Zij groeit dan met een groei
die van God is, en wordt opgebouwd in geloof en liefde.
(Mat. 25:31-36; Hand. 6:1-7; Rom. 12:4-8; 1 Kor. 12:9-11,27,28;
2 Kor. 5:14-21; Ef. 4:8,11-16; Kol.
2:19; 1 Tim. 2:1-3; 1 Petr. 4:10,11).
Een van de gaven van de Geest is profetie. Deze gave is een kenmerk van de
gemeente der overigen, en kwam tot uiting in het werk van Ellen G. White. Als
gezondene van de Heer vormen haar geschriften een blijvende en gezaghebbende
bron van waarheid en verschaffen zij de kerk troost, onderwijs en vermaning.
Deze geschriften maken ook duidelijk dat de Bijbel de norm is waaraan alle onderwijs
en ervaring moet worden getoetst.
(Joël 2:28,29; Hand. 2:14-21; Heb. 1:1-3; Op. 12:17;
19:10).
De belangrijkste grondbeginselen van Gods wet zijn vervat in de Tien Geboden
en werden nageleefd in het leven van Christus. Zij zijn uitdrukking van Gods
liefde, zijn wil en zijn bedoelingen t.a.v. het gedrag en de onderlinge verhoudingen
van de mens, en zijn bindend voor alle mensen in alle tijden. Deze voorschriften
zijn de grondslag van Gods verbond met zijn volk en vormen de maatstaf in Gods
oordeel. Door de werkzaamheid van de Heilige Geest wijzen zij zonde aan en wekken
het besef dat wij een Zaligmaker nodig hebben. De verlossing is geheel uit genade
en niet uit (de) werken, maar de vrucht ervan is gehoorzaamheid aan de geboden.
Deze gehoorzaamheid draagt bij tot de ontwikkeling van een christelijk karakter
en loopt uit op een besef van vrede. Zij is blijk van onze liefde voor de Heer
en onze zorg voor onze medemens. De geloofsgehoorzaamheid toont de macht van
Christus om mensen te veranderen en ondersteunt daarom het christelijk getuigenis.
(Ex. 20:1-17; Deut. 28:1-14; Ps. 19:7-13; Mat. 5:17; 22:36-40;
Joh. 14:15; Rom. 8:1-4; Ef. 2:8; 1
Joh. 5:3).
De weldadige Schepper rustte, na de zes scheppingsdagen, op de zevende dag
en stelde desabbat in voor alle mensen als een gedenkteken van de schepping.
Het vierde gebod van Gods onveranderlijke wet eist de viering van de sabbat
(de zevende dag) als een dag van rust, aanbidding en bediening in overeenstemming
met het onderwijs en de gewoonte van Jezus, de
Heer van de sabbat. De sabbat is een dag van vreugdevol omgaan met God en de
naaste. Hij is een symbool van onze vreugde in Christus, een teken van onze
heiliging, een bewijs van onze trouw en een voorproef van onze eeuwige toekomst
in Gods koninkrijk. De sabbat is Gods altijddurende teken van het eeuwig verbond
tussen Hem en zijn volk. Het vreugdevol waarnemen van deze heilige tijd, van
avond tot avond, van zonsondergang tot zonsondergang, is een viering van Gods
scheppend en verlossend handelen.
(Gen. 2:1-3; Ex. 20:8-11; 31:12-17; Lev. 23:32; Deut. 5:12-15;
Jes. 56:5,6; 58:13,14; Mar. 2:27.28;
Luc. 4:16; Heb. 4:1-11).
Wij zijn Gods rentmeesters. Van Hem ontvangen wij tijd en mogelijkheden, bekwaamheden
en bezit, en de zegeningen van de aarde en haar rijkdommen. Wij zijn aan Hem
verantwoording schuldig voor het juiste gebruik hiervan. Wij erkennen Gods eigendomsrecht
door Hem en onze medemensen trouw te dienen en door onze tienden terug te geven
en gaven te brengen voor de verkondiging van zijn evangelie en voor het welzijn
en de groei van zijn kerk. Rentmeesterschap is een voorrecht, ons door God gegeven
om ons in liefde op te voeden en ons de overwinning te doen behalen over egoïsme
en hebzucht.
De rentmeester verheugt zich in de zegeningen die anderen ten deel vallen als
gevolg van zijn getrouwheid.
(Gen. 1:26-28; 2:15; Hag. 1:3-11; Mal. 3:8-12; Mat. 23:23;
1 Kor. 9:9-14).
Wij zijn geroepen om een godvruchtig volk te zijn, dat denkt, voelt en handelt
in overeenstemming met de hemelse beginselen. Om de Heilige Geest de gelegenheid
te geven in ons het karakter van de Heer te herscheppen, wensen wij alleen betrokken
te zijn bij die dingen die een christelijke reinheid, gezondheid en vreugde
in ons leven tot stand brengen. D.w.z. dat ontspanning en vrijetijdsbesteding
moeten voldoen aan de hoogste normen van christelijke smaak en verfijning. Bij
alle verschil in cultuur behoort onze kleding eenvoudig, bescheiden en netjes
te zijn, zoals het hen betaamt wier schoonheid niet bestaat uit uitwendige versierselen,
maar uit de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest. Omdat
ons lichaam een tempel is van de Heilige Geest, dienen wij er op een verstandige
manier mee om te gaan. Naast voldoende lichaamsbeweging en rust, moeten wij
ons zo gezond mogelijk voeden en ons onthouden van onrein voedsel, zoals in
de Schrift aangegeven. Daar alcoholische dranken, tabak en het onverantwoordelijk
gebruik van medicijnen en verdovende middelen schadelijk zijn voor het lichaam,
behoren wij ons daarvan eveneens te onthouden. In plaats daarvan moeten wij
bezig zijn met al die dingen die onze gedachten en ons lichaam brengen onder
het gezag van Christus, die het beste met ons voorheeft.
(Lev. 11:1-47; Rom. 12:1,2; 1 Kor. 6:19; 10:31; 2 Kor. 7:1;
10:5; Ef. 5:1-13; Fil. 4:8; 1 Tim. 2:9,10; 1
Petr. 3:1-4; 1 Joh. 2:6).
Het huwelijk werd in Eden door God ingesteld. Jezus onderstreepte dat het huwelijk
een levenslange verbintenis is tussen man en vrouw in liefdevolle kameraadschap.
Voor de christen is een huwelijk bindend jegens zowel God als de partner en
behoort aangegaan te worden door partners die van hetzelfde geloof zijn. Wederzijdse
liefde, eer, respect en verantwoordelijkheid zijn
de bouwstenen van deze relatie, die de liefde, heiligheid, hechtheid en het
blijvende van de band tussen Christus en zijn kerk weerspiegelen. Met betrekking
tot echtscheiding leerde Jezus dat degene die van zijn partner scheidt, behalve
in geval van overspel, en een ander trouwt, echtbreuk pleegt. Ofschoon sommige
gezinsrelaties verre van ideaal zijn, mogen huwelijkspartners die zich in Christus
geheel op elkaar richten, door de leiding van de Geest en de zorg van de kerk,
hopen een eenheid in liefde te bereiken.
God zegent het gezin, en wenst dat gezinsleden elkaar bijstaan op de weg naar
de volwassenheid. Ouders moeten hun kinderen opvoeden om de Heer lief te hebben
en te gehoorzamen. Door hun voorbeeld en woorden moeten zij hen leren dat Christus
een liefhebbende, altijd tedere en zorgzame tuchtmeester is, die wil dat zij
leden van zijn gezin, het lichaam van Christus, worden. Toenemende gezinshechtheid
is één van de kenmerken van de laatste evangelieboodschap.
(Gen. 2:18-25; Deut. 6:5-9; Spr. 22:6; Mal. 4:5,6; Mat.
5:32,32; 19:3-9; Mar. 10:11,12; Luc. 16:18;
Joh. 2:1-11; 1 Kor. 7:10,11; Ef. 5:21-33; 6:1-4).
Er is een heiligdom in de hemel, de ware tabernakel, die de Heer heeft opgericht,
en niet een mens. Daarin doet Christus dienst, ons ten goede, en maakt Hij de
resultaten van zijn zoenoffer, dat eens en voor altijd aan het kruis is gebracht,
beschikbaar voor alle gelovigen. Hij werd als onze grote Hogepriester ingewijd
en begon zijn bemiddelende dienst bij zijn hemelvaart. In 1844, aan het einde
van het profetische tijdperk van 2300 dagen, begon Hij aan de tweede en laatste
fase
van zijn verzoeningswerk. Dat is een werk van onderzoekend oordeel, dat deel
uitmaakt van de uiteindelijke verdelging van alle zonde, uitgebeeld in de reiniging
van het Hebreeuwse heiligdom, uit de oudheid, op de Grote Verzoendag. In deze
zinnebeeldige dienst werd het heiligdom gereinigd met bloed van dierenoffers,
maar de hemelse dingen worden gereinigd door het volmaakte offer van het bloed
van Christus. Het onderzoekend oordeel openbaart aan de hemelse wezens welke
doden in Christus zijn ontslapen en daarom, in Hem, waardig worden geacht deel
te hebben aan de eerste opstanding. Het maakt ook duidelijk welke van de levenden
in Christus standhouden, de geboden van God en het geloof van Jezus bewaren,
en daarom in Hem gereed zijn voor opneming in zijn eeuwig koninkrijk. Dit oordeel
toont de gerechtigheid van God aan in de verlossing van hen die in Christus
geloven. Het verklaart dat zij die God trouw zijn gebleven, het koninkrijk zullen
ontvangen. De voltooiing van dit dienstwerk van Christus luidt het einde van
de genadetijd voor de mens, vlak voor de
wederkomst, in.
(Lev. 16; Num. 13:34; Ez. 4:6; Dan. 7:9-27; 8:13,14; 9:24-27;
Mal. 3:1; Heb. 1:3; 8:1-5; 9:11-28;
Op. 14:12; 20:12; 22:12).
De wederkomst van Christus is de gezegende hoop van de kerk, de grootste climax
van het evangelie. De komst van de Verlosser zal werkelijk, persoonlijk, zichtbaar
en wereldomvattend zijn. Bij zijn komst zullen de rechtvaardige doden worden
opgewekt, en tezamen met de levende rechtvaardigen worden verheerlijkt en in
de hemel worden opgenomen. Maar de onrechtvaardigen zullen sterven. Het feit
dat de meeste profetische lijnen vrijwel geheel in vervulling zijn gegaan en
de huidige toestand in de wereld, tonen aan dat Christus' komst op handen is.
Het moment van die gebeurtenis is niet geopenbaard en daarom worden wij gemaand
te allen tijde bereid te zijn.
(Joël 3:9-16; Mat. 24; Mar. 13; Luc. 21; Joh. 14:1-3;
Hand. 1:9-11; 1 Kor. 15:51-54; 1 Tess.
4:16,17; 2 Tess. 2:8; 2 Tim. 3:1-5; Tit. 2:13; Heb. 9:28).
Het loon van de zonde is de dood. Maar God, die alleen onsterfelijk is, zal
aan de verlosten eeuwig leven verlenen. Tot die dag is de dood voor alle mensen
een toestand van onbewust-zijn. Wanneer Christus, die ons leven is, verschijnt,
zullen de opgestane en de dan nog levende rechtvaardigen verheerlijkt en opgenomen
worden om hun Heer te ontmoeten. De tweede opstanding, die der onrechtvaardigen,
zal duizend jaar later plaatsvinden.
(Ps. 146:4; Pr. 9:5,6; Joh. 5:24,28,29; Rom. 6:23; 8:35-39;
1 Kor. 15:51-54; 1 Tess. 4:13-17; 1 Tim.
6:15,16; Op. 20:1-10).
Het millennium is de duizendjarige regering van Christus met zijn heiligen
in de hemel tussen de eerste en de tweede opstanding. Gedurende deze periode
worden de onrechtvaardige doden geoordeeld; de aarde zal geheel verlaten zijn,
zonder levende menselijke bewoners, maar bevolkt door satan en zijn engelen.
Aan het einde hiervan zullen Christus met zijn heiligen en de Heilige Stad nederdalen
van de hemel naar de aarde. De onrechtvaardige doden zullen dan worden opgewekt
en met satan en zijn engelen de stad omsingelen; maar vuur van God zal hen verteren
en de aarde reinigen. Zo zal het heelal voor eeuwig worden bevrijd van zonde
en zondaars.
(Jer. 4:23-26; Ez. 28:18; Zach. 14:1-4; Mal. 4:1; 1 Kor.
6; 2 Tess. 1:7-9; 2 Petr. 2:4; Op.
19:17,18,21; 20).
Op de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, zal God een eeuwig tehuis voor
de verlosten bieden, en een volmaakt milieu voor eeuwig leven, liefde, vreugde
en ontwikkeling in zijn aanwezigheid. Want hier zal God zelf bij zijn volk wonen,
en leed en dood zullen voorbij zijn. De grote strijd zal ten einde zijn en er
zal geen zonde meer zijn. Alles, bezield of onbezield, zal
verklaren dat God liefde is; en Hij zal voor eeuwig heersen.
(Gen. 17:1-8; Jes. 35; 65:17-25; Mat. 5:5; 2 Petr. 3:13;
Op. 21:1-7; 22:1-5; 11:15).
Bron: De daad bij het woord Profiel van de Zevende-dags Adventisten,
Reinder Bruinsma, 1992,
Veritas, Den Bosch